Dealing with the Dutch |
|
|
| Geschreven door Bert van Ravenhorst. | |
|
Nederlanders staan er om bekend dat ze graag de wereld intrekken voor zaken of plezier. Bij terugkomst hebben ze dan grote verhalen over de cultuur en de gewoonten van de mensen die ze in de verre landen zijn tegengekomen. Dat alles vanuit het referentiekader Nederland! In zijn boek ‘Dealing with the Dutch’ heeft Jacob Vossestein het omgedraaid. Hij heeft onderzocht hoe buitenlanders die in Nederland op bezoek komen of zich er blijvend vestigen tegen ons aankijken. Dat geeft een boeiend beeld over waar buitenlanders zich over verbazen. Tegelijk geeft Vossestein hier een verdiepingsslag aan door op zoek te gaan naar verklaringen voor ons gedrag. Echte eye-openers! Nederlanders hebben een probleem met hiërarchie. Ze proberen altijd evenwicht te bewaren tussen het besef van de aanwezigheid van de hiërarchische aspecten van een relatie en tegelijkertijd dat bewustzijn niet al te duidelijk te maken. Dit uit zich onder andere in een gebrek aan decorum, een nonchalante wijze van omgaan met status, laagdrempeligheid van autoriteiten en weinig waardering voor bijzondere prestaties. Zelfs klantvriendelijkheid is niet sterk ontwikkeld in Nederland omdat daarin een vorm van hiërarchie wordt gezien. Gewone mensen zijn de norm. Publieke figuren en de elite worden bespot. De underdog kan altijd op sympathie rekenen en al te zichtbare rijkdom wordt niet gewaardeerd. Ook het Nederlandse belastingsysteem is ingesteld op nivelleren. Dit komt omdat de kern van de Nederlandse cultuur het gevoel is dat iedereen in principe gelijk is. Het onderliggende ethische principe is dat iedereen dezelfde mogelijkheden zou moeten hebben in de maatschappij en met respect moet worden behandeld. Het bijbehorende gedrag is ‘low profile’. ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’, is het credo. Je wordt geacht de talenten die je hebt gekregen te gebruiken. Dat je ze hebt wordt gezien als geluk en niet als eigen verdienste. Dit volkskenmerk is ook terug te vinden op de werkvloer. Autoritair managementgedrag wordt niet gepikt. Nederlanders vinden de Amerikaanse managementstijl vaak dictatoriaal. Iedereen doet zijn best en heeft er recht op gerespecteerd te worden. In Nederland verdienen managers respect door deskundigheid en niet door machtsspelletjes. Medezeggenschap is sterk ontwikkeld en Nederlanders zijn gewend om bij zaken die hen aangaan betrokken te worden. Er wordt dan ook veel vergaderd. Zij willen serieus genomen worden en zijn in ruil daarvoor ijverig en loyaal. Ook als de baas uit het zicht is verdwenen. Buitenlanders zijn in eerste instantie meestal geschokt door de directheid van Nederlanders. Na een tijdje in Nederland gaan ze het meer waarderen. De meeste Nederlanders hebben helemaal niet in de gaten dat ze nogal direct zijn. Ze zijn gewend te zeggen wat ze vinden los van tegen wie ze het zeggen. Dat geldt voor hun mening, maar ook voor het geven van goedbedoelde adviezen. Het gaat Nederlanders om de inhoud en het product, niet om de vorm. Nederland kent een zodanige sociaalideologische pluriformiteit dat er zelden een meerderheidsvisie bestaat over een onderwerp. Hierdoor zijn overleg en compromissen zoeken in de volksaard gaan zitten. Mensen overtuigen is dan ook een veel belangrijker managementtool dan macht. Nederlanders zijn pragmatische en realistische mensen. Dingen moeten concreet zijn. Ze zijn taakgeorienteerd. Een gevolg is dat ze minder oog hebben voor zaken als contacten, persoonlijke profilering, ceremonieel en context. Nederlanders kunnen heel goed zaken doen zonder hun zakenpartners goed te kennen. Ze staan bekend als betrouwbaar en punctueel. Afspraak is afspraak. Wel raken ze geïrriteerd als de andere partij zich daar niet aan houdt. Ook raken ze niet onder de indruk van, wat in meer relatiegeorienteerde landen wel het geval is, prestigieuze opleidingen en voorname familieachtergrond, hun machtspositie als baas of politieke contacten. In de Nederlandse zakencultuur geldt alleen wat je zelf gepresteerd hebt. Nederlanders vinden geld heel belangrijk. Zeven eeuwen van handel hebben dat veroorzaakt. Waar in andere landen gokken populair is, zijn Nederlanders spaarders en zoekers naar koopjes. De populariteit van de vrijmarkt op koninginnedag is daar een voorbeeld van. In contrast daarmee staat dat Nederlanders vrijgevig zijn als het gaat om goede doelen en bij internationale crisissituaties. Met de toenemende rijkdom en het verdwijnen van de strikte moraal vanaf de jaren zestig geven de Nederlanders het geld inmiddels wat gemakkelijker uit. Ook als het gaat om eetgewoontes zijn de Nederlanders pragmatisch. De Nederlandse keuken – maaltijdsoepen, donker brood, fruit, melk- en kaasproducten – vinden veel buitenlanders sober. Ook praten Nederlanders niet zoveel over eten. Soms lijkt het alsof het een noodzakelijk kwaad is. Nederlanders kennen dan ook de kortste lunchpauzes. Ook hier zien we een geleidelijke verandering. Uit eten wordt gewoner en thuis koken is voor veel mensen een hobby geworden. Nederland is een geordend land. Alles is strak geregeld en georganiseerd. Dat geldt in de samenleving, op het werk en in huis. Zo’n goed geoliede machine is echter wel kwetsbaar. Er hoeft maar iets mis te gaan en er volgt een kettingreactie van vervelende gebeurtenissen. Als er bijvoorbeeld een ongeluk gebeurt staat alles voor lange tijd muurvast. De hang naar perfectie gecombineerd met pragmatisme leidt tot allerlei uitzonderingen en specificaties en zodoende tot een behoorlijke bureaucratie. Nederlanders zijn echter niet altijd zo gedisciplineerd. Fietsers rijden massaal door het rode licht, automobilisten halen rechts in, afval wordt op straat gegooid, honden doen hun behoeften op de stoep, enz. Ook in Nederlanders schuilt anarchistisch gedrag. Wellicht als uitlaatklep voor de overgeorganiseerde samenleving. Ook in de economie is alles strak geregeld. In de ogen van velen overgeorganiseerd. Dit schrikt zowel Nederlanders als buitenlanders af om een bedrijf te starten. Regelgeving op diploma’s en voorschriften voor beroepskwalificaties belemmeren mensen om over te stappen naar een ander vak. Ook in de woonwijken uit zich de regeldrang. Het is niet mogelijk om in een woonwijk je huis heel anders te schilderen dan de buren in hetzelfde rijtje. Op het werk is alles eveneens gestructureerd: werktijden, strakke agenda’s en vergadertijden, korte lunchpauzes. Meningsverschillen lossen Nederlanders op door met elkaar te vergaderen tot ze een compromis hebben, waar mensen uit andere culturen dit doen in de wandelgangen of tijdens een goede lunch. Tijdens de besprekingen leggen ze een stevig fundament waarop de uitvoering – uiteraard planmatig – kan worden gebaseerd. Nederlanders werken hard en gedisciplineerd binnen de uren waarvoor ze onder contract staan. Ze houden zich strikt aan de werktijden. Dat geldt niet voor hoger management. Zij maken weken van 70 tot 80 uur als het moet. Ook de winkeltijden worden strikt gehanteerd. De openingstijden zijn ook beperkt als je het vergelijkt met niet-Europese landen. In steden zijn allerlei leefstijlen openlijk zichtbaar. Het kan daarbij gaan om politieke visies, artistieke uitingen, seksuele voorkeuren, enz.. Als reactie glimlachen de Nederlanders en halen hun schouders op. Zich ermee bemoeien wordt als intolerant gezien en afgekeurd. Sociale controle wordt niet uitgeoefend, behalve dan dat men groepen die men niet waardeert negeert. Het resultaat is een mozaïeksamenleving waarin mensen zichzelf definiëren aan de hand van hun verbintenissen. Tolerantie is in dit verband een wat dualistisch fenomeen. Enerzijds is er veel van en anderzijds hebben Nederlanders sterke opinies die ook zeer intolerant kunnen zijn. De vrijheid en non-interventie hebben ook een donkere kant en dat is extreem individualisme. Bert van Ravenhorst,
|




