Boek: Spiral Dynamics

Spiral Dynamics - Denkfundamenten ontsluierd

Follow Max Herold on Twitter

Onderstaande brief is geschreven door Pieter van Geel en eerder gepubliceerd op http://www.insnet.org
( voor meer informatie over Roefie Hueting, zie  http://www.sni-hueting.info )
Waar staat in mijn visie het DNI voor?
Voor mij is het DNI zowel een specifieke indicator als een meer algemeen handelingsperspectief. Om met dat laatste te beginnen, aandacht vragen voor duurzaam nationaal inkomen betekent in dit geval aandacht voor het duurzamer maken van de economische activiteiten waarmee wij ons nationale inkomen verdienen. We beseffen maar al te goed dat onze huidige  productie en consumptie niet perfect zijn. De energievoorziening is nog sterk verbonden met de uitstoot van broeikasgassen die de versterkte opwarming van de aarde veroorzaakt met  klimaatverandering als gevolg. Verkeer en vervoer vragen meer ruimte dan ons lief is en zorgen voor problemen met de luchtkwaliteit, vooral in stedelijke gebieden. De landbouw wordt nog steeds geassocieerd met bestrijdingsmiddelen en mestproblematiek. Behalve milieuproblemen in ons eigen land leidt onze productiewijze ook nog tot afwenteling van negatieve milieueffecten naar het buitenland.

Kortom,  er bestaat een spanningsveld tussen het inkomen dat we - individueel of als land - verdienen ?n de werkelijke  welvaart die we daaraan ontlenen. De winst van een stijgende welvaart door meer inkomen wordt zo tegelijkertijd weer uitgehold door het verlies aan welvaart door onder meer de schade aan natuur en milieu. Streven naar verduurzaming van ons inkomen houdt dan dus ook in het voeren van milieubeleid dat zich richt op die onderwerpen waar deze spanning zich voordoet.

En dat is precies wat mijn inzet is geweest de afgelopen vier jaar. In economisch moeilijke tijden, waarin bezuinigingen en reorganisatie van de overheidsuitgaven niet te vermijden waren, zijn we erin geslaagd om de ontkoppeling tussen economische groei en milieudruk in stand te houden. Dat vereiste wel extra aandacht en geld voor onder meer de problematiek van de luchtkwaliteit.

Het kabinet heeft daarvoor in totaal 1.1 miljard euro beschikbaar gesteld onder meer via het zogenaamde Prinsjesdagpakket. Ik heb daarbij zwaar ingezet op het schoner maken van auto's, bussen en vrachtauto's met bijvoorbeeld een verplichtstelling voor roetfilters en inzet op meer gebruik van biobrandstoffen. Tegelijkertijd heb ik  de gemeenten in staat gesteld om met lokale verkeersmaatregelen de overlast ter plaatse tegen te gaan.

Ook de noodzakelijke verduurzaming van de energievoorziening is verder in de steigers gezet met onder meer extra geld voor het Borsselepakket, 250 miljoen euro voor energiebesparing, afvang en opslag van CO2 in de ondergrond en inzet van biobrandstoffen. Het energiebedrijfsleven gaat dit bedrag verdubbelen tot 500 mln.

Als je zo'n beleid voert gericht op een verduurzaming van onze productie en consumptie, dan wil je uiteraard ook weten of je voortgang boekt, of je dichter bij de doelen komt die zijn gesteld. En dan komt dus het DNI als indicator in beeld. Het DNI is voor mij een van de gereedschappen uit de totale beschikbare gereedschapskist  waarmee we de spanning tussen economie en milieu kunnen duiden.

Het DNI staat voor het maximaal haalbare inkomen bij een milieubeleid dat - gegeven de stand van de techniek - zo streng is dat geen aantasting van vitale milieufuncties meer plaatsvindt. In 2000 kwam het DNI uit op circa 50% van het traditioneel gemeten inkomen. In 1990 lag het nog maar op 44%. Dat betekent dus een relatieve verbetering. We zijn dus op de goede weg, maar nog lang niet op onze bestemming. Die is 100% DNI. Het nieuwe kabinet zou zich sterk kunnen maken voor een verbetering met de volgende 5%.

De vraag is natuurlijk wel hoe we het DNI willen verbeteren. Dat moeten we naar mijn mening niet doen door de economie af te knijpen, maar door consequent beleid te voeren op de ontwikkeling en toepassing van eco-effici?nte technologie. De huidige techniek is namelijk nog verre van toereikend om alle milieuschade een halt toe te roepen. Maar ik ben er wel van overtuigd dat  innovatie de sleutel is om onze economische activiteiten in de komende jaren steeds verder te verduurzamen, zonder daarmee de economische welvaart op een onverantwoorde wijze in de waagschaal te stellen.

Om de discussie over duurzaamheid te kunnen blijven voeren heb ik het MNP  begin 2005 gevraagd om het DNI elke vijf jaar te berekenen. Maar dan wel in het kader van breder onderzoek naar duurzaamheidsindicatoren. Want ik zie het DNI niet als h?t enig mogelijke cijfer. Daarvoor is de milieuproblematiek te complex en onze cijfermatige kennis van het milieu nog te onvolledig.

Voor een goed gewogen beleid en volledig beeld heb ik zowel deelcijfers nodig over bijvoorbeeld het verloop van de CO2 uitstoot of de kwaliteit van natuurgebieden in Nederland, alsook meer geaggregeerde cijfers waarvan het DNI er dan een is. Mijn conclusie is dan ook dat het duurzaam nationaal inkomen niet h?t kompas is, maar wel een van de metertjes die we heel goed kunnen en moeten aflezen!

De auteur is staatssecretaris voor milieu. 

                                                                                                                           5-1-07

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Aan drs. Pieter van Geel
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Van Roefie Hueting
Adviseur Foundation for research on Sustainable National Income (FSNI) 

Beste Pieter,

Ik heb met veel plezier je column gelezen op iNsnet. De aandacht voor het DNI, die de afgelopen jaren sterk is verminderd, wordt door teksten als deze vergroot en dat is broodnodig. Je beschrijving van waar het DNI voor staat vind ik echt uitstekend. De definitie van het DNI is correct. Net als sommigen van je voorgangers heb je niet geaarzeld om er op te wijzen dat een deel van de welvaart verkregen door meer geproduceerde goederen en diensten teniet wordt gedaan door het welvaartsverlies als gevolg van de schade aan natuur en milieu. Door dit laatste wordt ook onze - vanzelfsprekende - behoefte om aan onze kinderen en kindskinderen een leefbare wereld na te laten gefrustreerd. Ook dit betekent een re?el verlies aan welvaart.
Ik word met positieve teksten over het DNI niet verwend. Het DNI wordt vaak verfomfaaid weergegeven en vervolgens op grond daarvan neergesabeld. Je column herstelt mijn vertrouwen enigszins dat de informatie die het DNI wil geven eenvoudig en begrijpelijk is. Ik ben er erg blij mee.
Mag ik desondanks een paar kanttekeningen plaatsen? Het gaat om punten waarover ik het afgelopen jaar naar aanleiding van je contact over het DNI met de Kamer heb gehakketakt met twee van je medewerkers die ik daarom een cc van deze brief stuur.

Je schrijft dat de stijging van het percentage van het duurzame productieniveau (DNI) ten opzichte van het huidige productieniveau (NI) tussen 1990 en 2000 van 44% tot 50% een relatieve verbetering betekent. Dat is juist. Maar je voegt er aan toe dat we daardoor op de goede weg zijn. Dat is helaas niet juist (zie ook het hieronder geciteerde rekenvoorbeeld). Komende generaties zijn niet ge?nteresseerd in percentages maar in de fysieke werkelijkheid die onze generatie aan hen nalaat. En deze wordt ge?ndiceerd door het absolute verschil tussen de twee zojuist genoemde niveaus.

Tinbergen noemde dit verschil in een gezamenlijk artikel voor de Rio conferentie in 1992 onze schuld aan komende generaties en somt aan het eind van het artikel op wat we moeten doen (en laten) om die schuld zo snel mogelijk af te lossen (Tinbergen en Hueting, 1991). Dat absolute verschil is tussen 1990 en 2000 toegenomen met ruim tien miljard euro. Ook anderen wijzen erop dat de mutaties in het absolute verschil bepalen of we dichter bij milieuduurzaamheid komen of er verder vanaf drijven. Hieronder volgen daarover twee citaten.

Onno Kuik (Instituut voor Milieuvraagstukken van de Vrije Universiteit) schrijft in een rapport voor de Europese Unie: "The trend analysis of Hofkes et al. (2004) shows that the relative gap between NNI and SNI has decreased in the Netherlands over the period 1990 to 2000, but that the absolute gap over the same period has increased by 13 billion Euro.  (....) The technique effect (the emission intensities of economic activities) has contributed most to the relative increase in SNI over that period and prevented a further increase of the absolute gap between NNI and SNI."(Kuik, 2006).

Het Milieu en Natuur Planbureau (MNP) vermeldt om verwarring te voorkomen (persoonlijke mededeling) alleen de absolute vergroting van de afstand tussen NI en DNI en schrijft in de Milieubalans 2006: "Het verschil tussen het Duurzaam Nationaal Inkomen en het Nationaal Inkomen (NI) is in de periode 1990-2000 toegenomen met circa 10 miljard euro. Dit duidt erop dat de productie in Nederland minder duurzaam is geworden."

Een eenvoudig rekenvoorbeeld, dat ik je desgewenst graag opstuur, laat zien dat de percentuele groei van het DNI over een bepaalde periode meer dan twee maal zo groot moet zijn als die van het NI om de afstand tussen NI en DNI tijdens die periode te verkleinen. Dit is ??n van de redenen waarom het hoogst onwaarschijnlijk is dat bij een groeiend NI milieuduurzaamheid kan worden bereikt. Meer redenen voor deze onwaarschijnlijkheid zijn onder andere te vinden in Hueting, (1994); Hueting en Reijnders, (2004); Hueting, (2003); Hueting, (2006). Deze publicaties zijn te vinden op internet.

In je column pleit je zeer terecht voor het voeren van een consequent beleid op de ontwikkeling en toepassing van eco-effici?nte technologie. Maar je voegt er aan toe dat verbetering van het DNI niet moet gebeuren door het afknijpen van de economie. Wanneer je hiermee bedoelt dat in Nederland en in de wereld het NI moet blijven groeien en zeker niet mag dalen, maak je een voor het milieu gevaarlijke vergissing, zoals moge blijken uit de vorige alinea en de daarin geciteerde publicaties.

Vrijwel alle maatregelen voor herstel en behoud van de niet door de mens gemaakte fysieke omgeving - die de basis is van het menselijk bestaan - leiden tot een negatief effect op het NI ex asymmetrische boekingen [1]. Uitzonderingen vormen technologische vernieuwingen die ?n het milieu sparen ?n goedkoper zijn in re?le termen. Het is voorts, anders dan je schrijft, onwaarschijnlijk dat milieuduurzaamheid uitsluitend met technische maatregelen kan worden bereikt.

Ook rechtstreekse verschuivingen naar milieuvriendelijker gedrag zijn naar alle waarschijnlijkheid noodzakelijk, zoals in de geciteerde publicaties wordt beargumenteerd. Voorbeelden zijn: minder auto en vliegtuig, meer fiets, trein en boot; minder vlees, meer bonen; niet het hele huis verwarmen maar ??n kamer verwarmen en een trui aantrekken; twee kinderen in plaats van tien, etc. Dit kan worden bereikt door heffingen zoals ook bij de raming van het DNI is gesimuleerd.

Voor wat het kindertal betreft komt het neer op het mondig maken van vrouwen, van wie veruit de meesten niet meer dan twee kinderen willen zoals ik heb geleerd  van "inheemse" vrouwelijke artsen in ontwikkelingslanden waar ik vaak heb gewerkt. Al deze maatregelen hebben een negatief effect op het niveau van het DNI, zij het soms met een timelag.

Dat we verder van duurzaamheid zijn afgedreven is  jou en je voorgangers niet aan te rekenen. De toestand van het milieu hangt immers vooral af van beslissingen over wegenbouw, landbouw, openbaar vervoer en het invoeren van bestemmingsheffingen zoals op autorijden, energieverbruik, vlees en vliegen, en subsidies voor de ontwikkeling van alternatieven zoals schone van de zon afgeleide energiedragers. Een conditio sine qua non is het minder krampachtig en monomaan aankijken tegen de NI mutaties, zowel door burgers als door politici.

De mensen die aan de wieg stonden van het System of National Accounts en het NI, zoals Tinbergen, Kuznets en Oomens, hebben zo'n verkrampt gebruik van het NI nooit bedoeld (zie Tinbergen en Hueting, 1991). Ik dicht me weinig inzicht toe in politiek. Maar ik heb in de loop van de jaren vrij veel contact gehad met politici, ook buiten Nederland. Zo heb ik met al je voorgangers, van Kruisinga en Ginjaar tot Pronk, een adviserende rol mogen spelen, met uitzondering van Nijpels en Winsemius en helaas ook van jou (maar dat kan zeker wat mij betreft veranderen).

Ieder van hen heeft op de een of andere manier mijn werk aan het DNI gesteund. Jan Pronk is voorzitter van de Foundation SNI. Het lijkt, naar  mijn indruk, meer om personen te gaan dan om politieke partijen. Zo is je partijgenoot Herman Wijffels lid van het Committee of Recommendation van de FSNI.

Alle subsidies voor de noodzakelijke ontwikkeling van het DNI zijn geschrapt, zodat die al jaren stagneert, ondanks vragen daarnaar door de Kamer (zie bij voorbeeld de motie Bolhuis die door alle partijen werd ondersteund behalve de VVD, tot verdriet van Ginjaar destijds); ook vertegenwoordigers van de World Bank en de OECD hebben hiernaar gevraagd op aan het DNI gewijde seminars (De Boer en Hueting, 2004). Wellicht kun je in een komend kabinet daar verandering in brengen. Ook daarom hoop ik je de komende tijd te mogen ontmoeten.

Met vriendelijke groet,
Roefie Hueting.

[1] In het NI wordt verlies van milieufuncties niet afgeboekt maar hun herstel of compensatie wel bijgeboekt; dat is asymmetrisch. Naar verwachting verschijnt komend voorjaar hierover een artikel in ESB. Ik voeg er aan toe dat de productie en consumptie van eenzelfde hoeveelheid goederen m?t milieubehoud meer arbeid vergt dan zonder, zodat er geen conflict bestaat tussen milieu en werkgelegenheid. Zie hiervoor de geciteerde publicatie over de drie mythen.

Literatuur:
B. de Boer and R. Hueting (2004), Sustainable national income and multiple indicators for sustainable development in: OECD, Measuring sustainable development, p 39-52

R. Hueting (1994) Drie hardnekkige mythen in het milieudebat, ESB 3986, p 1056-1060.
Engelse versie (1996), Three persistent myths in the environmental debate, Ecological Economics, 18 (2), p 81-88. Ook gepubliceerd in: E.C. van Ierland, J. van der Straaten, H.R.J. Vollebergh, editors, Economic Growth and Valuation of the Environment, A Debate, Edward Elgar, Cheltenham UK p 78-89 (2001).
http://www.managementissues.com/duurzame_ontwikkeling/duurzame_ontwikkeling

R. Hueting, (2003), Sustainable National Income, a prerequisite for sustainability p 40-57. In: B. van der Zwaan, Arthur Peterson, editors, Sharing the Planet, Eburon Academic Publishers, Delft
R. Hueting and L. Reijnders (2004), Broad sustainability contra sustainability: the proper construction of sustainability indicators, Ecological Economics, 50 (3-4), p 249-260. http://www.eerlijkmeten.nl/docs/achtergrondartikel10.pdf

R. Hueting, (2006), Het DNI een indicator voor milieuduurzaamheid In: Tien miljoen mensen als duurzame bevolkingsomvang, Demon, Eindhoven, p 77-89 http://www.insnet.org/dninu/text.rxml?id=2814
O. Kuik (2006), Sustainable national income (SNI). This paper has been written for the Overview of Advanced Tools for Sustainability Assessment of the "Sustainability A-Test" project of the European Union, DG Research,
http://ivm5.ivm.vu.nl/sat/?chap=14

J. Tinbergen, R. Hueting (1991) GNP and market prices: wrong signals for sustainable economic success that mask environmental destruction. In: R. Goodland et al. (editors), Environmentally Sustainable Economic Development: Building on Brundtland, Ch 4: 51-57, UNESCO, Paris. Also published in: R. Goodland et al. (eds.), Population, Technology and Lifestyle: The Transition to Sustainability, Ch. 4: 52-62, Island Press, Washington, D.C., 1992. Also published in: Environmentally Sustainable Economic Development: Building on Brundtland. R. Goodland et al. (eds.) Environment Working Paper 46, The World Bank, Washington, D.C., 1991.