Aandachtig interveniëren: ontwikkeling van denken over interventies in complexe situaties. |
|
|
| Geschreven door Jeroen van der Zijde | ||||||||||||||||||||||||
|
1 januari 2009 Over interventies in complexe situaties Zo lang ik me kan herinneren ben ik gefascineerd door de vraag hoe je in complexe situaties kunt interveniëren, zodat zaken beter gaan lopen en betrokkenen zich tevredener, zelfs gelukkiger voelen. Dat begon al in mijn familiesituatie, bijvoorbeeld in de gespannen relatie tussen mijn vader en mijn opa. En in mijn werk als organisatieadviseur heb ik ervaring opgedaan met interventies in een grote diversiteit aan complexe situaties, variërend van de paspoortaffaire, het aanleggen van een Tweede Maasvlakte en het uitdiepen van de Westerschelde tot het managen van scholen in het VMBO en MBO. Ik ben organisatieadviseur sinds 1976, toen ik mijn studie bedrijfskunde afrondde. Als ik terugkijk dan heb ik, in ieder geval vanaf dat moment, voortdurend gependeld tussen theorie en praktijk om die complexe situaties beter te kunnen analyseren en om daarin beter te kunnen interveniëren. Anders gezegd: voortdurende ‘action learning’. Wat ik merk, is dat ik daardoor een meerlagige manier van kijken en doen heb ontwikkeld. Mijn interventies gaan nu anders dan toe ik jong adviseur was, maar ik maak nog steeds gebruik van de waardevolle elementen uit de lagen van denken, van waaruit ik toen handelde.
In 1984 volgde ik de televisie-uitzendingen over RSV-enquête. Ik was zeer geboeid, niet alleen omdat de ontwikkeling en teloorgang van het scheepsbouwbedrijf Rijn-Schelde-Verolme en de verwevenheid met de overheidsondersteuning complex was, maar ook omdat de inzet was dit in een transparant democratisch proces aan de orde te stellen. Op dat moment was ik parttime beleidsambtenaar bij het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen en daarnaast organisatieadviseur bij InterVisie, een bureau dat ik mede oprichtte. Als beleidsambtenaar droeg ik er aan bij dat tegen de politieke wind in - want er liep een operatie om zoveel mogelijk adviesorganen op te heffen - een Wet Sectorraden Wetenschapsbeleid tot stand kwam, die een wettelijk verankering bood aan een aantal adviesorganen, bijvoorbeeld op het gebied van milieu- en natuuronderzoek, onderzoek voor ontwikkelingssamenwerking en dergelijke. Als ik terugkijk welke praktijktheorie ik daarbij dominant hanteerde dan komt die het dichtsbij ‘organizations as political systems’, zoals Morgan dat omschreef (1). In die theorie wordt er van uitgegaan dat organisaties bestaan uit pluralistische individuen, groepen en netwerken met verschillende belangen, die in onderhandeling met elkaar tot een zekere orde komen. Conflict is in deze manier van kijken een inherente en functionele karakteristiek van de gang van zaken en macht is het medium waarmee conflict tot een oplossing wordt gebracht. Hiervan uitgaande hanteerde ik als interventie-instrument: de krachtenveldanalyse.(2) Dit is een methode die uitgaat van een probleem of uitdaging, vervolgens vraagt naar de betrokken actoren en hun belangen en de relevante factoren, dan daarin een ordening aanbrengt in termen van bevorderende en belemmerende krachten en tot slot helpt een strategie te ontwerpen waarmee de bevorderende krachten worden gemaximaliseerd en de belemmerende krachten geminimaliseerd.
Mijn belangstelling voor complexe projecten in politieke context leidde er toe dat ik in 1987 bij de Algemene Rekenkamer ging werken als onderzoeker beleidsdoelmatigheid. Daar kwam al snel op mijn pad dat ik lid werd van een team dat op verzoek van de Tweede Kamer een onderzoek deed naar de paspoortaffaire.
Ik had opnieuw een bijdrage kunnen leveren met mijn dominante praktijktheorie van dat moment - organisaties als politieke systemen -, het was voor mij een toptijd en ik was tevreden over de resultaten. Toch bleef ik ook met een aantal fundamentele vragen zitten. Hoe intensief en diepgravend de onderzoeken van de Algemene Rekenkamer en de Tweede Kamer ook waren geweest er bleven op belangrijke punten voor mij vragen of ‘de waarheid’ nu werkelijk boven tafel was. De beide opgestapte bewindslieden bijvoorbeeld betuigden geen spijt, maar bleven van mening dat hen onrecht was aangedaan. Ook vond ik het democratische proces erg kwetsbaar voor de pers, die soms vermoedens als feiten presenteerde. Zo kon ook makkelijk een moderne ‘heksenjacht’ ontstaan. Dit leidde er toe dat ik besloot de paspoortcasus als onderwerp voor een promotietraject te nemen. Henk van Dongen, hoogleraar sociale psychologie aan de bedrijfskundige faculteit van de Erasmus Universiteit, was bereid me daarbij als promotor te begeleiden. Na de paspoortenquête besloot ik fulltime organisatieadviseur te worden eerst als partner van InterVisie en vanaf 1992 als partner van Van de Bunt. Daarbij raakte ik meer en meer betrokken bij allerlei complexe projecten in politiek context, zoals een herstructurering van de elektriciteitssector, de Betuweroute en de Mainportontwikkeling Rotterdam. Steeds meer kwam ik daarbij daadwerkelijk in de rol van bemiddelaar in conflicten. Tegelijkertijd was ik met mijn promotor, Henk van Dongen, in dialoog over het theoretisch kader voor mijn dissertatie. Hij hield mij voor dat we niet kunnen bewijzen dat er een objectieve werkelijkheid ‘out there’ is, omdat er altijd een waarnemingsproces tussen zit. “We kunnen dus niet bewijzen dat het gras buiten groeit”, zij hij. “Wat overblijft is dat we waarheden ‘sociaal construeren’”(4). Guba en Lincoln (5) maken in deze lijn een onderscheid tussen positivisme - gebaseerd op één werkelijkheid ‘out there’ - en sociaal constructivisme - gebaseerd op multipele, sociaal geconstrueerde werkelijkheden - . Ik had er de grootst mogelijke moeite mee om dit startpunt van het sociaal-constructivisme te accepteren. Desondanks werd ik in de praktijk van de grote projecten, waar ik bij was betrokken, steeds indringender geconfronteerd met de in mijn ogen disfunctionele effecten van het ‘van tafel zetten’ van partijen op basis van één waarheid. Bij de beleidsvoorbereiding van de Betuweroute bijvoorbeeld leidde dat tot grote polarisatie tussen partijen en tot stagnaties.
Resumerend voegde ik op deze manier een nieuwe laag toe in mijn denken over interveniëren in complexe situaties. Die laag heeft te maken met het accepteren van verschil: dissensusvorming. Niet het eenvoudige ‘agree tot disagree’, maar acceptatie van verschil dat gebaseerd is op onderzoekende communicatie, dialoog, aandacht, naar elkaar luisteren (7). Dit maakt onderdeel uit van wat in de recente literatuur wordt aangeduid als transformatieve conflicthantering, waarbij er gestreefd wordt naar de ‘empowerment’ (ieder zelf: sterk, competent, autonoom, besluitvaardig) en ‘recognition’ (ieder naar de ander: belangstellend, ontvankelijk, open, empathisch) van de deelnemers aan het conflict (8). Basisconditie is dat de conflicterende partijen zelf de spelregels vaststellen voor het omgaan met hun verschillen. De zo ontwikkelde lagen in mijn denken over het omgaan met verschil in sociale processen zien er in schema als volgt uit:
De vierde partij In mijn werk en privé begon mij steeds meer op te vallen dat ik in spanningsvolle situaties moeite had om die onpartijdige ‘vierde partij’ te zijn en dat ik haast onweerstaanbare neiging had om mij ‘er in te storten’. Dit groeiende inzicht bleek niet voldoende om ook anders te gaan handelen, wat er toe leidde dat ik eind 2002 een tijd geveld werd door een burn-out. Toen mijn kwaadheid over die plotselinge terugslag wat gezakt was, besloot ik deze persoonlijke crisis op te vatten als een kans en deed, met hulp van anderen, intensief zelfonderzoek. Geredeneerd vanuit het sociaal-constructivisme: een onderzoek naar de eigen constructieprocessen en wat daarin stagneerde.
Met deze benaderingen wordt de lijn van het sociaal constructivisme doorgetrokken van sociale processen naar individuele, psychologische processen. Ook hier is het criterium ‘open naar andere betekenissen’ aan de orde, maar krijgt nu een uitwerking in de zin van ‘accepteren van paradoxen’ in tegenstelling tot ‘het oplossen van problemen’. Belangrijk is dat er een aandachtsbegrip wordt geïntroduceerd dat leeg is, los is, buiten het denken staat en naar het denken, naar de constructieprocessen kan kijken. In overleg met mijn collega-partners bij Van de Bunt besloot ik begin 2003 om zelfstandig verder te gaan onder de noemer VANDERZIJDE, organisatieadvies, training en coaching, en daarnaast als geassocieerd partner van Van de Bunt. Mijn inzet was om, naast organisatieadvisering, mij steeds meer te richten op training en coaching van mensen die bezig zijn met interveniëren in complexe situaties. Ernst Drukker, een andere collega uit genoemd ‘netwerk’ van trainers en coaches, bracht mij in deze periode in contact met het werk van Kegan en Lahey, experts van de Harvard University op het gebied van ‘transformational learning’. De kern van hun boek ‘How the way we talk can change the way we work’ (16) is een vijfstappen-methode om mensen te helpen zicht te krijgen op hun ‘big assumptions’, die ongemerkt hun ondermijnend gedrag aansturen. Ik heb die methode het eerst toegepast in een Leernetwerk Complexe Beleidsprojecten, dat ik met anderen in 2004/2005 begeleidde. Het bleek er toe te leiden dat projectleiders en adviseur in grote projecten bij de overheid na 6 bijeenkomsten een transformatie hadden doorgemaakt van de vraag ‘hoe beheers ik het systeem’ naar ‘hoe krijg ik meer grip op mijzelf’. 1. Wat is je klacht? 2. Wat is je commitment? De achterliggende positieve kracht? 3. Wat is je ondermijnend gedrag? 4. Wat is je concurrerende commitment? De kracht achter je ondermijnende gedrag, die tegengesteld is aan je commitment? 5. Wat is je big assumption? De veronderstelling die achter je concurrerende commitment ligt en vaak te maken heeft met angst?
Met deze methode wordt, in termen van Bohm, een persoonlijke paradox in beeld gebracht van tegengestelde krachten. Cruciaal is dat met de vraag naar het ondermijnend gedrag gestimuleerd wordt dat gekeken wordt naar de eigen bijdrage aan de probleemsituatie en niet naar bijdragen van anderen. De methode beoogt niet om tot een verandering van big assumptions te komen, maar tot een bewustwording, tot het er van enige afstand naar kunnen kijken. Daarmee krijgt betrokken het heft weer in eigen hand. De neiging tot ondermijnend gedrag zal niet zo snel verdwijnen, maar bereikt wordt dat betrokken bewust de keus kan maken om die neiging wel of niet te volgen. Bewustwording van verborgen patronen uit het verleden geeft, als het goed is, ruimte om de aandacht te richten toekomst. Daarbij past de metafoor van de zeezeiler en de zee. Wanneer je geen bestemming kiest, dan brengen de winden en de stromingen je alle kanten uit. Wat niet wegneemt dat als je wel een bestemming kiest, het nog een kunst is om goed gebruik te maken van die elementen en er niet tegenin te gaan. Frans Verhaaren, ook een collega uit genoemd ‘netwerk’ van trainers en coaches, bracht me in contact met het gedachtegoed van Gershon en Straub over empowerment (17). Cruciaal voor empowerment is dat de ander wordt uitgedaagd om stil te staan bij de vragen “Wat wil ik?” en “Hoe creëer ik dat? Ondersteunend daarbij allerlei technieken, bijvoorbeeld visualisatie, om de verbeelding te stimuleren en het veilige en vertrouwde los te laten.
Sociale constructieprocessen krijgen per definitie hun vorm in de interactie tussen mensen. Dit geldt zelfs voor zelfonderzoek naar big assumptions en empowerment. Er zin drie auteurs die mij op dit vlak in het bijzonder hebben geïnspireerd. Dat zijn Argyris (19), Bohm (20) en Rosenberg (21). Zij contrasteren hun adviezen tegen wat Argyris model-1-gedrag noemt: vechten en vluchten al dan niet in een beschaafd jasje. Vaak wordt dit gedrag opgeroepen in stressvolle, complexe situaties. Het alternatief noemt Argyris model-2-gedrag dat bestaan uit een combinatie van pleiten en vragen, Bohm noemt dat dialoog met een nadruk op het onderzoeken van fundamentele veronderstellingen en niet-oordelend luisteren, terwijl Rosenberg het geweldloze communicatie noemt.
Rosenberg werkt de elementen van een dialoog, naar mijn mening, het meest concreet uit: 1. het teruggeven van waarnemingen, zonder oordeel; 2. het uiten van de gevoelens die die waarnemingen triggeren; 3. het aangeven van de achterliggende behoeften, waarden, veronderstellingen; 4. het doen van een verzoek, zonder te eisen; 5. het kunnen luisteren en parafraseren hoe deze elementen voor de ander spelen; 6. en onderliggend eigen verantwoordelijkheid nemen voor wat de ander bij jou triggert. Familie- en organisatieopstellingen
Resumerend ontwikkelde ik in de afgelopen jaren de volgende nieuwe en aanvullende lagen in mijn denken over het omgaan met verschil. Het domein was hierbij vooral de wisselwerking tussen individuele en sociale processen.
Interveniëren in de wisselwerking tussen individuele en sociale processen: lagen in mijn denken over het omgaan met verschil
Hoe verder? Nadat ik het voorgaande betoog nog eens op mij had laten inwerken en met deze en gene had besproken, werd ik mij er van bewust dat de onderliggende beweging er een is van naarstig zoeken naar steeds weer nieuwe concepten om beter te begrijpen en te doen. Ik ben tevreden waar die beweging me gebracht heeft, maar voor mij is de vraag of ik zo door wil gaan. Aandacht vraagt immers juist om stil te staan, om volledig aanwezig te zijn in het ‘hier en nu’. Dat vooral is een kwaliteit die ik verder wil ontwikkelen, maar die ‘naarstige zoeker’ in mij maakt dat vaak nog best lastig. Mijn ideaalis niet om die ‘zoeker’ in mij uit te schakelen, wel dat ‘naarstige’. Mijn ideaal is om een sterkere tweezijdigheid te ontwikkelen van aandacht èn zoeken. Zoals bij het maken van muziek. Ik zing ieder week een half uurtje bij mijn zangleraar Ron van der Steen. Dat is bij ieder nieuw lied eerst een worsteling met de noten en woorden. Maar er ontstaat pas muziek in dat magische moment dat ik het weer los kan laten en in volle aandacht sta te zingen. Dat is ook waar ik bij het interveniëren naar streef en nog mooier dat de ander zich laat verleiden om ook te gaan ‘zingen’. Dus verder met ‘aandachtig interveniëren’. Bronnen: |
||||||||||||||||||||||||




