Boek: Spiral Dynamics

Spiral Dynamics - Denkfundamenten ontsluierd

Follow Max Herold on Twitter

(Met dank aan Rob van Engelenburg en Yvonne Prince, mei 2020)

Innovatie in het MKB is belangrijker voor de economie dan veel mensen denken. De investeringskracht van grote bedrijven is zo groot dat innovatie vooral daarvandaan zal komen, zo denken velen. Daar hebben ze ook wel gelijk in, want belangrijke innovaties kunnen alleen gedaan worden via investeringen die in veel gevallen de draagkracht van kleine bedrijven te boven gaan.

Maar daarmee moet je niet miskennen dat het MKB de bron is van verreweg de meeste innovaties. Niet alleen zijn er veel meer MKB-bedrijven dan grote bedrijven, maar ook zijn juist MKB-bedrijven er goed in om ‘incrementeel’ te innoveren, dat wil zeggen veel kleine innovatiestapjes zetten die na verloop van tijd tot grote verbeteringen leiden/

Bedenk ook, dat innovatie eigenlijk een containerbegrip is, dat staat voor uiteenlopende vormen van vernieuwing: kleine technologische innovaties, grote technologische doorbraken, betere producten en diensten voor de consument, verbeteringen in de productieketen, verbeteringen van werkprocessen, automatisering/robotisering, duurzame oplossingen en nog wel meer.

Innovatie in het MKB is minder zichtbaar
Het gekke is dat je via CBS-cijfers de inspanningen van het MKB op het gebied van innovatie niet voldoende in de gaten krijgt. Vooral MKB-bedrijven met herkenbare R&D-budgetten en/of R&D-medewerkers worden meegeteld. In het MKB zijn het meestal de ondernemers zelf en sommige productiemedewerkers die (in deeltijd) werken aan innovatie en dat komt niet voldoende uit de verf in de CBS-cijfers.

Het blijkt ook niet uit subsidieaanvragen vanuit het MKB, want verreweg de meeste MKB-ondernemers zien op tegen de bureaucratie die daarmee gepaard gaat. Dit nog los van de voorwaarden waar ze aan moeten voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen. Die voorwaarden zijn namelijk nauwelijks toegesneden op de manier waarop in het MKB wordt geïnnoveerd. Alleen de relatief laagdrempelige WBSO-regeling - een lagere loonheffing voor R&D-medewerkers – wordt veel gebruikt door MKB-ondernemingen die zulke medewerkers in dienst hebben.

Aan de andere kant kun je wel aan CBS-cijfers zien dat er veel dynamiek is in het MKB (onder meer zie je veel nieuwe bedrijven opkomen), waarbij het Nederlandse MKB zelfs op kop loopt in Europa. Daaruit valt af te leiden dat het Nederlandse MKB dus wel innovatief zal zijn, want uit onderzoek blijkt telkenmale dat dynamiek samenhangt met innovatie.

En uit onderzoek naar innovaties in het bedrijfsleven valt ook op te maken dat de innovatiekracht per medewerker in het MKB hoger is dan in het grootbedrijf. Dat heeft niet te maken met de capaciteiten van de medewerkers, want die liggen in het grootbedrijf gemiddeld op een hoger niveau, maar met de organisatiecultuur in het MKB, die meer stimuli geeft om in de dagelijkse praktijk op de werkvloer innovatief te denken en te handelen. Met name de houding van de MKB-ondernemer speelt daarbij een sleutelrol.

Grootbedrijf is in hoge mate afhankelijk van innovaties in het MKB
Voor het grootbedrijf is het MKB in dit verband te zien als een bijna gratis experimenteerveld. Een groot bedrijf ziet vanzelf wanneer een kleiner bedrijf iets moois heeft bedacht en dat tevens rendabel heeft weten te maken. Tegen de tijd dat zo’n bedrijf toe is aan opschaling loopt het nogal eens aan tegen financiële drempels. Het is dan verleidelijk om in te gaan op een aantrekkelijk bod van een groot bedrijf dat vervolgens de kapitaalkracht heeft om voor die opschaling te zorgen. Op zo’n moment is het voor dat grote bedrijf natuurlijk niet gratis, maar ze hoeven in elk geval niet te betalen voor alle mislukte innovatiepogingen. Diverse grote bedrijven zijn zelfs voortdurend op jacht naar dit soort overnamekandidaten.
Bovendien moet worden bedacht dat veel MKB-bedrijven werken als toeleveranciers voor grote bedrijven, waarbij hun innovatieve kracht moet zorgen voor een langdurige relatie met hun afnemers. Veel innovaties komen tot stand via samenwerkingsverbanden tussen grote en kleine bedrijven, waarin dikwijls ook kennisinstellingen een rol spelen. Grote bedrijven profiteren hier uiteraard van, omdat hun producten/diensten worden voorzien van steeds betere onderdelen, halffabricaten en hulpmiddelen. Denk in dit verband bijvoorbeeld aan het grote aantal Nederlandse toeleveranciers voor de Duitse auto-industrie.

MKB is afhankelijk van het grootbedrijf
Het spreekt vanzelf dat MKB-toeleveranciers aan het grootbedrijf op hun beurt ook weer afhankelijk zijn van het grootbedrijf. Als een groot bedrijf omvalt levert dat tevens veel ellende op onder toeleveranciers. Die doen er dan ook goed aan zich op hun markt zo breed mogelijk te maken. En dat lukt vooral door breder te innoveren dan uitsluitend ten behoeve van bestaande afnemers.
Het MKB is in veel gevallen afhankelijk van het grootbedrijf voor de distributie van hun producten/diensten. Grote bedrijven beschikken over allerlei netwerken waar MKB-bedrijven gebruik van kunnen maken, denk bijvoorbeeld aan distributiekanalen in het buitenland en aan bepaalde vergunningen die nodig kunnen zijn om een innovatief product op de markt te brengen.
Ook is het MKB nogal eens afhankelijk van goederen en diensten van grote bedrijven die ze nodig hebben voor hun eigen productieproces. Denk bijvoorbeeld aan machines, maar bijvoorbeeld ook aan ingenieursbureaus. De impulsen die ze daarmee krijgen zijn van belang voor hun innovatieproces.

Innovatiebeleid kan beter
Uit het bovenstaande blijkt dat het van belang is om het MKB voldoende ruimte te laten om innovatief te blijven. Daarenboven zou je de innovatie in het MKB nog wel wat extra kunnen stimuleren. Een aantal betrekkelijk simpele maatregelen kunnen hierbij helpen.

  1. De toegang tot subsidies en aftrekposten kan heel wat laagdrempeliger worden gemaakt. Bedenk dat elke relatief grote investering in het MKB bijna altijd innovatie met zich meebrengt. Bijvoorbeeld een verhuizing leidt veelal tot vernieuwing van machines, ICT en het productieproces als geheel, en ook tot organisatorische vernieuwingen zoals nieuwe samenwerkingsverbanden en effectievere communicatie met klanten. Een algemene investeringsaftrek is voor elk bedrijf toegankelijk, kost nauwelijks bureaucratie en levert in de meeste gevallen ook voor de overheid een positief rendement op.
  2. Faciliteren van een innovatie-ecologie kan enorm stimulerend werken. Denk daarbij aan: bedrijfsverzamelgebouwen, werkplekken voor zzp-ers, start-up-locaties, samenwerkingsverbanden met het beroepsonderwijs, science-parks, innovatiefabrieken e.d. Zulke voorzieningen zijn er al her en der, maar lang niet overal.
  3. Vastleggen van octrooien is een zwaar proces dat moet worden doorlopen om belangrijke technologische vindingen te beschermen. Het zou helpen wanneer er voor minder belangrijke technische verbeteringen en voor niet-technische innovaties een toegankelijk register zou komen waarin zulke verbeteringen in elk geval kunnen worden beschermd gedurende het ontwikkelingsproces.
  4. Veel beleggers willen graag investeren in innovatieve bedrijven die fors kunnen worden opgeschaald, maar zij zijn minder geïnteresseerd in rustige groeiers. Geef daarom een betere toegang tot de kapitaalmarkt aan: ondernemers die in een rustiger tempo willen groeien, ondernemers met producten die zich minder goed lenen voor een forse opschaling en ondernemers die graag zelf willen opschalen in plaats van hun bedrijf te verkopen aan een belegger of aan een groot bedrijf.
    Er bestaan diverse investeringsfondsen waar MKB-ondernemers terecht kunnen en waarvan steeds meer gebruik wordt gemaakt, maar het is zinvol om na te gaan waarom nog zoveel ondernemers met groeimogelijkheden er geen gebruik van maken.
  5. Veel MKB-ondernemers hebben geen tijd of capaciteit om alle groeimogelijkheden te benutten. Daardoor worden exportkansen gemist, komt het niet van nevenvestigingen en blijven heel wat innovatieve producten/diensten op de plank liggen. Door aspirant-ondernemers in contact te brengen met zulke ondernemers kunnen plannen voor het oprichten van een nevenbedrijf worden ontwikkeld, waarbij de aspirant-ondernemer zich gaat richten op een nieuw product, een nieuwe regio of de export. Aspirant-ondernemers hebben de neiging om een nieuw bedrijf te starten in plaats van samen te werken met een bestaande ondernemer, maar waarschijnlijk komen ze niet eens op het idee om dat laatste te proberen en weten ze ook niet dat ze in dat geval heel wat meer kans op succes hebben.
  6. Als een oudere ondernemer een opvolger weet te vinden, zorgt de opvolger meestal voor nieuwe investeringen. Als er geen opvolger wordt gevonden moet een oudere ondernemer op gegeven moment stoppen met zijn/haar bedrijf. Dat is in veel gevallen niet erg, want ‘me-too-bedrijven’ zijn niet innovatief. Maar als het om een (potentieel) innovatief bedrijf gaat, worden er kansen gemist. Het kan lonen om dit soort bedrijven in contact te brengen met aspirant-ondernemers. Ook hierbij geldt dat dit voor aspirant-ondernemers een aantrekkelijke optie kan zijn, omdat ze beduidend meer (tweemaal zoveel) kans op succes hebben als opvolger in een bestaand bedrijf dan als starter van een nieuw bedrijf. Het is dan wel zaak om de bemiddeling rond bedrijfsopvolging beduidend te verbeteren, want die is tamelijk versnipperd en weinig effectief.

Peter van Hoesel
Mei, 2020