๐—ข๐—ฝ๐—ฎ

Met kerst denk ik nog wel eens aan een bijzondere ontmoeting die ik lang geleden had, met Opa. Dat was in Bialystok, een stad in Polen in de buurt van de grens met Wit-Rusland en Litouwen. Ik was op weg terug naar Nederland en overnachtte er in afwachting van de lange busreis.

De nacht zou ik doorbrengen in het goedkoop uitziende hotel dat vlak naast het busstation lag. De kamers boden er plaats aan drie. Het was vroeg in de avond en op de kamer was al een jonge Wit-Russische handelaar aan het uitpakken. Hij sprak een beetje Duits en haalde een fles wodka tevoorschijn, die hevig brandde in mijn keel. Hij wees op het derde bed in de kamer, maakte een hijgend geluid, en zei: ‘Opa’.

Na een tijdje kwam onze kamergenoot binnen. Hij leek al ruim in de tachtig en zag er verwaarloosd uit, met een van zweet doordrenkt hemd en een smoezelige pyjama-achtige broek. Hij rommelde wat in de verweerde koffer, die naast zijn bed stond. Opa bleek opmerkelijk goed Duits te spreken en leefde op bij de mogelijkheid dit weer eens te kunnen praktiseren. Het spreken kostte hem echter moeite omdat hij voortdurend buiten adem was. Hij kwam uit het zuidoosten van Polen, het gebied dat vroeger tot de Sovjet-Unie behoorde en vertelde over de plaats waar hij vandaan kwam en dat hij enkele dagen in de stad was om dingen bij de rechtbank te regelen. De Wit-Rus bleef wodka bijschenken in onze plastic bekertjes. Opa hield het bij een paar kleine nipjes voor de beleefdheid. Langzaam werd onze conversatie onsamenhangender en vervaagden de gezichten van mijn kamergenoten.

Het werd tijd om te slapen. In bed hoorde ik het ritme van de piepende ademhaling van Opa. Met regelmatige tussenpozen viel het geluid ineens weg en was er een verontrustende stilte, waarna kort daarop de moeizame ademtochten weer duidelijk hoorbaar werden. Het wende en in die combinatie van wodka en dat vreemde ademritme viel ik in een diepe slaap. Maar zoals dat gaat na te veel alcohol was ik midden in de nacht ineens klaarwakker. Ik concentreerde me op de ademhaling van Opa om weer in slaap te komen. Totdat het plotseling stil bleef. Ik sprong op uit bed, het zal toch niet waar zijn, mijn adem stokte nu ook. Tegelijkertijd zag ik de zaklamp van de Wit-Rus schijnen, die blijkbaar ook wakker was. In het schijnsel van de zaklamp zag Opa er lijkbleek uit. Maar net toen we allebei bij zijn bed stonden, kwam toch na die eindeloos lijkende pauze zijn ademhaling weer op gang.

Nu waren we alle drie wakker. De Wit-Rus wilde een nieuwe fles wodka openen, maar trok zich terug in bed toen wij zijn aanbod afsloegen. Ik ging bij Opa zitten met een glas water en vroeg naar de tatoeage op zijn arm. ‘Mijn leven zal gelukkig spoedig voorbij zijn’, begon hij zijn verhaal. ‘U kunt zich niet voorstellen wat ik heb meegemaakt. Niets dan ellende. Ze hebben me alles afgenomen wat ik had.’ Hij vertelde over zijn jeugd, de tijd dat hij nog gelukkig was. Na zijn studie was hij getrouwd met zijn jeugdliefde en spoedig zou hij vader worden. Tot hij om onduidelijke redenen werd opgepakt door de geheime dienst van Stalin en in een heropvoedingskamp geplaatst werd. Daar zou hij dertig jaar doorbrengen. Dertig jaar waarin hij onder erbarmelijke omstandigheden moest leven, dwangarbeid moest verrichten, zijn beste vrienden zag sterven en zijn vrouw uiteindelijk ook een ander leven begon, zodat al zijn dromen vervlogen waren.

Toen hij meer dood dan levend weer thuis kwam, was hij alleen en al ver in de vijftig. Zijn dierbaarste bezit waren zijn dagboeken. Hij koesterde ze en hoopte nog steeds ze ooit nog gepubliceerd te krijgen. Hij vertelde over zijn zoon, die hij pas als volwassen man had leren kennen, maar hij was gelukkig dat in ieder geval dat hem nog gegeven was. Inmiddels werd het buiten al licht. Het was een inspannende nacht geworden. ‘Ik ben moe’, zei Opa, ‘laten we maar gaan slapen’.

Terug in Nederland kreeg ik een lange brief van hem, geschreven in een bibberig handschrift, maar in vloeiend Duits. Niemand gelooft me, schreef Opa, maar ik ben dood geweest en leef nu met een opdracht. God heeft mij gezonden om de mensen te waarschuwen tegen de kwade krachten van de duivel die overal om zich heen grijpen. Die waarschuwing ging vier kantjes door in allerlei varianten. Maar wat op zichzelf een onsamenhangende brief leek, klonk met het levensverhaal van Opa nog vers in mijn geheugen volkomen logisch, als een metafoor voor zijn leven.

Tegen de kersttijd schreef ik hem een brief terug met een kerstgroet. Enkele weken later, het nieuwe jaar was al aangebroken, kwam er een antwoord. Opa was overleden, zo schreef de nieuwe bewoonster van zijn flat. Nu echt. Ze was blij nog een bericht te hebben ontvangen van iemand die hem kende, hij was een eenzame oude man, dacht ze. Ze wenste me een vrolijk kerstfeest en een gelukkig nieuwjaar.

Jan Maarten van Sonsbeek
December, 2023